Knightriders (George A. Romero) – recensie

Wanneer men de titel van de film, de poster en de naam van de regisseur naast elkaar zet krijgt men al snel het vermoeden dat we hier te maken hebben met een soort van post-apocalyptische bikerfilm in de stijl van The Bronx Warriors, of iets in die richting. George Romero heeft ons goed beet, want Knightriders is niets minder dan een zeer persoonlijk drama, waar vooral sterk acteerwerk de leidraad doorheen de film is.

Knightriders is George Romero’s Easy Rider. Waar die film gaat over de hippie, gaat het hier over een andere vrijheidsstrijder: de moderne ridder. Paarden zijn vervangen door motors en middels het organiseren van middeleeuwse steekspelen onderhouden zij zichzelf. Een wel heel aparte manier van Romero om sociale issues over de buitenstaander in kaart te brengen. Het levert echter een bijzonder schouwspel op.

Hoewel Romero gekenmerkt wordt als horrorregisseur barsten zijn films van dramatische en sociaalkritische tonen, die films als Dawn of the Dead of Martin net wat anders maken dan de gemiddelde zombie- of vampierfilm. Met Knightriders heeft hij het horroraspect helemaal achterwege gelaten om zo tot een zo persoonlijk mogelijke film te komen.

Het is echter wel een erg makkelijke manier om op deze manier aandacht te vragen voor de steeds krampachtiger wordende samenleving waarin wij verkeren en de mensen die geld boven eigenwaarde verkiezen. Corruptie in eigen land, bureaucratie, hebzucht en onbegrip worden allemaal naar boven gehaald, maar een echte oplossing of iets dergelijks blijft achterwege. Niet dat dat direct hetgeen is wat de film had kunnen redden, maar Romero lijkt makkelijk weg te willen komen met wat oppervlakkige uithalen.

Ed Harris is het toonbeeld van de frustraties waarmee de motorrijders kampen. Al scheldend, onbegrepen en gefrustreerd dendert hij door de film, op zoek naar gerechtigheid. Een wat ondankbare rol voor de grote acteur die Harris is, maar hij houdt zich makkelijk staande. Geweldig, de overgave waarmee hij zijn rol invult. Verder is het ook aardig om veel bekende gezichten terug te zien uit voornamelijk Dawn of the Dead en Day of the Dead. Bizar om ze los van die horrorfilms te zien in serieuze rollen. Vooral Tom Savini overtuigt.

Knightriders is een aardig experiment, maar blijft teveel aan de oppervlakte hangen om echt een blijvende indruk achter te laten. Het is fijn als een regisseur zijn grenzen verkent, maar stiekem verlang je toch altijd naar waar een regisseur goed in is. Romero kan overweg met drama, maar dan het liefst binnen de context van een horrorfilm.

The Pit and the Pendulum (Stuart Gordon) – DVD recensie

Als het op low-budget films aankomt spant Full Moon toch wel de kroon. De films die zijn ontsproten uit het brein van Charles Band, de man achter deze filmstudio, zien er goedkoop uit en lijken weinig aandacht te schenken aan bijvoorbeeld het acteerwerk. Toch zijn de meeste Full Moon-films meer dan de moeite waard omwille een paar epische creaties (Puppet Master, Demonic Toys) en regisseurs die aantoonbaar plezier in hun vak hebben. Stuart Gordon is zo’n regisseur, een man die vooral inspiratie opdoet uit verhalen van H.P. Lovecraft en in het geval van The Pit and the Pendulum Edgar Allan Poe.

88 Films is een onlangs opgericht Brits label waarop veel films van Full Moon en nog veel meer pulp zijn verschenen. Hun motto luidt: “Classic movies treated with respect.” Dit is een prachtig uitgangspunt voor het zoveelste Britse label dat de cult- en pulpfilm in de spotlight zet. Het predikaat ‘classic’ moet je hier natuurlijk breed nemen, want laten we wel wezen; Full Moon films zijn vooral ‘classic’ bij een zeer specifieke groep. Vooral Puppet Master t/m Puppet Master 3: Toulon’s Revenge kennen een relatief hoog klassiek gehalte. The Pit and the Pendulum is misschien het bekendste verhaal dat Full Moon ooit op film heeft gezet, maar ‘classic’ is deze film allerminst te noemen.

De openingsscène doet het ergste vermoeden. Ondanks de heerlijke cast, onder leiding van B-film held Lance Henriksen en met Full Moon-muze Jeffrey Combs, baadt deze scène in flauwe humor die in schril contrast staat met de serieusheid van Henriksens rol. Het is een rare openingsscène die niet helemaal weet welke richting die op moet gaan. Het vervolg van de film doet er weinig aan om hier verandering in te brengen.

De locatie is lekker authentiek (The Pit and the Pendulum is opgenomen in en rond een authentiek Italiaans kasteel), dat is Gordon gegeven, maar wordt lelijk in beeld gebracht en sommige acteurs maken zich belachelijk met slecht acteerwerk. De ene keer werkt het belachelijke in het voordeel van de film, maar grotendeels wil het niet werken en lijkt Gordon moeite te hebben een balans te vinden tussen humor en ernst, iets wat hij veel beter onder de knie heeft in bijvoorbeeld Dagon.

Richting het einde herpakt The Pit and the Pendulum zich gelukkig een beetje. De horror, die zich tot dan verrassend weinig liet zien, komt eindelijk om de hoek kijken en mengt zich in een geheel dat Full Moon zo vermakelijk maakt: de samenhang tussen humor, horror en sfeer. De balans lijkt eindelijk gevonden en dan is de film afgelopen. Niet dat The Pit and the Pendulum nog veel langer had moeten duren, maar je vraagt je wel af waarom Stuart Gordon zo laat pas op gang komt. Gordon heeft in zijn hele carrière veel beter werk afgeleverd dan deze The Pit and the Pendulum. Het is dat Lance Henriksen een heerlijke bad-guy speelt en dat het einde wat goedmaakt, want anders was dit klassieke Edgar Allan Poe verhaal uitgelopen op een waar drama.

88 Films is een label om in de gaten te houden. Ze brengen met hun artwork weinig nieuws onder de zon, maar het blauwe doosje en de met pulp beladen catalogus zijn aantrekkelijk. Wel is het frappant dat de aspect ratio op de dvd 4:3 is terwijl die op de later uitgebrachte blu-ray 1.66:1 is, wat dicht bij de theatrical print ligt. Een onvergefelijk verschil. Wat betreft extra’s staan er een leuke behind the scenes en een blooper reel op de dvd. Niets om over naar huis te schrijven.

Horror, toen en nu – special

De horrorgenre is het meest onderschatte filmgenre ooit. De misvattingen over dit genre zijn ontelbaar en het is voor de fans vaak dan ook een kansloze missie om de onwetenden proberen uit te leggen wat horror nu zo mooi maakt. Het rare is dat hoe vaak het genre ook in het verkeerde daglicht wordt gezien, het nog immens populair blijft bij het bioscooppubliek. Menig nieuwe horrorfilm doet het goed in de bioscopen en in enkele gevallen zelfs uitstekend, denk bijvoorbeeld aan de Saw-franchise. Het is echter niet dit werk dat de bescherming van de fans geniet.

Er is de laatste pakweg 15-20 jaar namelijk een geheel andere weg ingeslagen. Het horrorgenre was ooit het ideale platform voor regisseurs met een flinke drang om hun creativiteit erop los te laten. Zowel cinematografisch als verhaaltechnisch, in horror kon het allemaal. Commercie is in de loop der tijd echter groter geworden dan de visie van een regisseur. Studiobazen hebben het meer voor het zeggen gekregen dan de regisseur, want een tweede Heaven’s Gate, dat wil niemand.

Commercie is van alle tijden, maar we kunnen er haast niet omheen dat tegenwoordig bijna exclusief horrorfilms worden gemaakt die garant staan voor een goede tot flinke box-office. Ik hoef maar te kijken naar mijn favoriete horrorregisseurs; Lucio Fulci, Mario Bava, John Carpenter, Dario Argento en David Cronenberg. Zij hadden hun hoogtepunt tussen 1960 (Black Sunday van Bava) en 1995 (In the Mouth of Madness van Carpenter). Dit is zo ongeveer de periode dat succesvolle regisseurs min of meer hun gang konden gaan en daarmee meesterlijke, maar vooral eigen films konden maken. Degenen die heden ten dage nog leven, hebben geen degelijke horrorfilm meer gemaakt.

Het risico wordt nu als te groot beschouwd. Men investeert liever in formulewerk dat gegarandeerd aanslaat bij het grootste deel van het bioscooppubliek. Veel bombast, luide geluidseffecten en een generieke score moeten de korte aandachtspan van het publiek vast zien te houden en er is geen tijd of begrip meer voor bijvoorbeeld kleurrijke belichting (Bava’s Black Sabbath of Argento’s Suspiria), scènes die de tijd nemen om een sfeer neer te zetten (de spin-scène uit Fulci’s The Beyond) of surrealisme dat strookt met elke vorm van logica (Cronenberg’s Videodrome).

Formulewerk heeft het moderne horrorpubliek zo afgestompt dat elke artistieke inbreng van een regisseur in het verkeerde keelgat schiet. Het mooiste temporaire voorbeeld vind ik The House of the Devil van Ti West, een film waarin weinig gebeurt, maar waar zo’n enorm sterke sfeer vanaf druipt, dat het dagen-, misschien wel wekenlang blijft hangen. Het is niet voor niets dat zo’n film niet de best bezochte bioscopen haalde. Doodzonde, want zo’n visionair talent als Ti West is wat tegenwoordig nog het dichtst bij de meesters van vroeger komt.