Categoriearchief: Recensies

Recensie: The Cat o’ Nine Tails (Dario Argento)

Dario Argento’s debuut, The Bird with The Crystal Plumage, was een daverend succes in Italië. De Giallo nam een nieuwe koers en het was het begin van een glorieuze carrière voor Dario Argento, eentje die helaas al een tijdje niet meer zo glorieus is. De verwachtingen lagen dus hoog voor de opvolger van dit debuut. The Cat o’ Nine Tails, oftewel Il Gatto a Nove Code, werd aanvankelijk niet goed bevonden door de  producenten, maar het publiek sprak dit tegen door nog massaler naar deze tweede film van Dario Argento te gaan. Gelijk hadden ze.

Wat zijn die oude films van Dario Argento toch genieten. Wie gevoelig is voor stijl likt zijn vingers af bij de films van de ‘Italiaanse Hitchcock’ tot pakweg 1987, wanneer hij voor het laatst een écht goede film heeft afgeleverd met Opera. De Giallo bestond al wat langer maar Dario Argento heeft van dit genre een waar feest gemaakt voor de cinefiel. Ook The Cat o’ Nine Tails is een film waarin Argento goed met stijl weet te spelen en dit ook weet te bekleden met een script dat de aandacht de volledige 111 minuten vasthoudt.

Er gebeurt in The Cat o’ Nine Tails aan de oppervlakte minder dan in latere films van Argento als Deep Red en Tenebre. Het script is minder gericht op horror, wat de aandacht nog meer doet verschuiven naar het ‘whodunnit’-aspect en de algehele sfeer. Ook zonder het duidelijke horror-aspect weet Argento zich met gemak staande te houden, want The Cat o’ Nine Tails kent amper zwakke momenten. Bijna elke scène staat in dienst van het mysterie en de setting is bijzonder sterk. De huizen, de straten en het instituut; het ademt allemaal erg veel sfeer uit en de spanning wordt op momenten goed opgebouwd. Vooral het segment op de begraafplaats mag er wezen.

Maar Argento zou Argento niet zijn als hij dit allemaal niet zou opfleuren met een stel scènes die cinematografisch bijzonder hoogstaand zijn. Zo zijn de scènes met het treinongeluk en vooral die in de liftschacht sterke staaltjes stilistisch vernuft. Wanneer dit alles wordt bijgestaan door een alweer zeer sterke score van Ennio Morricone en, ondanks de gewoonlijke dubbing, memorabel acteerwerk van Hollywood-icoon Karl Malden als blinde man en James Franciscus als journalist, dan mag er gesproken worden van een hoogtepuntje uit het Giallo-genre.

Ondanks dat deze Giallo van Argento minder gericht is op horror dan zijn latere werk weet The Cat o’ Nine Tails, dankzij een sterk script en goede sfeer, elke minuut te boeien. Ennio Morricone met de zoveelste mooie score en Karl Malden en James Franciscus als de hoofdpersonages dragen daarnaast enorm bij aan dit zeer prettige voer voor cinefielen.

Recensie: Django (Sergio Corbucci)

Het is 1966 en de Spaghettiwestern groeit in rap tempo uit tot ongekende populariteit. Sergio Leone ontketent in 1964 de gekte met zijn A Fistful of Dollars en al snel volgen er meer regisseurs die geld zien in dit nieuwe subgenre. Een van die regisseurs is Sergio Corbucci, maker van een stel gerenommeerde titels als Il Mercenario (The Mercenary) en Il Grande Silenzio (The Great Silence). In 1966 was hij er vroeg bij en maakte hij, in hetzelfde jaar dat The Good, The Bad and the Ugly uitkwam, Django. Een nieuwe (anti)held was geboren.

Het uitgangspunt is er eentje dat we wel kennen uit het western-genre: een eenling die een stadje binnenwandelt en te maken krijgt met rivaliserende bendes of een persoonlijke rekening te vereffenen heeft. Django is niet anders, echter biedt een dergelijk uitgangspunt vaak genoeg stof tot ‘coolheid’ en Corbucci weet deels wel hoe dat in zijn film te verwerken.

Franco Nero is een waardig evenbeeld van Clint Eastwood en de dialogen zijn minimalistisch, maar geladen genoeg om op momenten een glimlach op je gezicht te kunnen toveren. Vooral de dialogen tussen Django en de leider van de racistische bende, waarvan de leden allen een rode kap dragen, springen eruit. Wat echter het hoogtepunt van Django is, is de doodkist die Nero de ganse film met zich meedraagt, wat zijn personage net dat beetje extra geeft wat een personage memorabel maakt.

Toch weet Django niet 88 minuten lang te boeien. Het grootste probleem is dat de film, los van bovengenoemde opvattingen, nergens boven de middelmaat uitstijgt. Cinematografisch gezien valt er weinig te beleven en de muziek, het heerlijke openingsnummer daargelaten, is nergens echt noemenswaardig, in ieder geval niet zo noemenswaardig als de gemiddelde score van de koning van de Spaghettiwestern-muziek, Ennio Morricone. Sergio Corbucci weet Django inhoudelijk te onderscheiden van de middelmaat, maar stilistisch gaat dit hem maar moeilijk af.

Django heeft de middelen om te scoren, maar Sergio Corbucci mist stilistisch vernuft om dit tot een echte hoogvlieger in zijn genre te maken. Het is jammer, want zo’n Franco Nero die met hangend hoofd de hele film lang een doodkist achter zich meesleept is eigenlijk wel erg ‘cool’ en vraagt om een film die minstens even ‘cool’ is.

Knightriders (George A. Romero) – recensie

Wanneer men de titel van de film, de poster en de naam van de regisseur naast elkaar zet krijgt men al snel het vermoeden dat we hier te maken hebben met een soort van post-apocalyptische bikerfilm in de stijl van The Bronx Warriors, of iets in die richting. George Romero heeft ons goed beet, want Knightriders is niets minder dan een zeer persoonlijk drama, waar vooral sterk acteerwerk de leidraad doorheen de film is.

Knightriders is George Romero’s Easy Rider. Waar die film gaat over de hippie, gaat het hier over een andere vrijheidsstrijder: de moderne ridder. Paarden zijn vervangen door motors en middels het organiseren van middeleeuwse steekspelen onderhouden zij zichzelf. Een wel heel aparte manier van Romero om sociale issues over de buitenstaander in kaart te brengen. Het levert echter een bijzonder schouwspel op.

Hoewel Romero gekenmerkt wordt als horrorregisseur barsten zijn films van dramatische en sociaalkritische tonen, die films als Dawn of the Dead of Martin net wat anders maken dan de gemiddelde zombie- of vampierfilm. Met Knightriders heeft hij het horroraspect helemaal achterwege gelaten om zo tot een zo persoonlijk mogelijke film te komen.

Het is echter wel een erg makkelijke manier om op deze manier aandacht te vragen voor de steeds krampachtiger wordende samenleving waarin wij verkeren en de mensen die geld boven eigenwaarde verkiezen. Corruptie in eigen land, bureaucratie, hebzucht en onbegrip worden allemaal naar boven gehaald, maar een echte oplossing of iets dergelijks blijft achterwege. Niet dat dat direct hetgeen is wat de film had kunnen redden, maar Romero lijkt makkelijk weg te willen komen met wat oppervlakkige uithalen.

Ed Harris is het toonbeeld van de frustraties waarmee de motorrijders kampen. Al scheldend, onbegrepen en gefrustreerd dendert hij door de film, op zoek naar gerechtigheid. Een wat ondankbare rol voor de grote acteur die Harris is, maar hij houdt zich makkelijk staande. Geweldig, de overgave waarmee hij zijn rol invult. Verder is het ook aardig om veel bekende gezichten terug te zien uit voornamelijk Dawn of the Dead en Day of the Dead. Bizar om ze los van die horrorfilms te zien in serieuze rollen. Vooral Tom Savini overtuigt.

Knightriders is een aardig experiment, maar blijft teveel aan de oppervlakte hangen om echt een blijvende indruk achter te laten. Het is fijn als een regisseur zijn grenzen verkent, maar stiekem verlang je toch altijd naar waar een regisseur goed in is. Romero kan overweg met drama, maar dan het liefst binnen de context van een horrorfilm.

The Pit and the Pendulum (Stuart Gordon) – DVD recensie

Als het op low-budget films aankomt spant Full Moon toch wel de kroon. De films die zijn ontsproten uit het brein van Charles Band, de man achter deze filmstudio, zien er goedkoop uit en lijken weinig aandacht te schenken aan bijvoorbeeld het acteerwerk. Toch zijn de meeste Full Moon-films meer dan de moeite waard omwille een paar epische creaties (Puppet Master, Demonic Toys) en regisseurs die aantoonbaar plezier in hun vak hebben. Stuart Gordon is zo’n regisseur, een man die vooral inspiratie opdoet uit verhalen van H.P. Lovecraft en in het geval van The Pit and the Pendulum Edgar Allan Poe.

88 Films is een onlangs opgericht Brits label waarop veel films van Full Moon en nog veel meer pulp zijn verschenen. Hun motto luidt: “Classic movies treated with respect.” Dit is een prachtig uitgangspunt voor het zoveelste Britse label dat de cult- en pulpfilm in de spotlight zet. Het predikaat ‘classic’ moet je hier natuurlijk breed nemen, want laten we wel wezen; Full Moon films zijn vooral ‘classic’ bij een zeer specifieke groep. Vooral Puppet Master t/m Puppet Master 3: Toulon’s Revenge kennen een relatief hoog klassiek gehalte. The Pit and the Pendulum is misschien het bekendste verhaal dat Full Moon ooit op film heeft gezet, maar ‘classic’ is deze film allerminst te noemen.

De openingsscène doet het ergste vermoeden. Ondanks de heerlijke cast, onder leiding van B-film held Lance Henriksen en met Full Moon-muze Jeffrey Combs, baadt deze scène in flauwe humor die in schril contrast staat met de serieusheid van Henriksens rol. Het is een rare openingsscène die niet helemaal weet welke richting die op moet gaan. Het vervolg van de film doet er weinig aan om hier verandering in te brengen.

De locatie is lekker authentiek (The Pit and the Pendulum is opgenomen in en rond een authentiek Italiaans kasteel), dat is Gordon gegeven, maar wordt lelijk in beeld gebracht en sommige acteurs maken zich belachelijk met slecht acteerwerk. De ene keer werkt het belachelijke in het voordeel van de film, maar grotendeels wil het niet werken en lijkt Gordon moeite te hebben een balans te vinden tussen humor en ernst, iets wat hij veel beter onder de knie heeft in bijvoorbeeld Dagon.

Richting het einde herpakt The Pit and the Pendulum zich gelukkig een beetje. De horror, die zich tot dan verrassend weinig liet zien, komt eindelijk om de hoek kijken en mengt zich in een geheel dat Full Moon zo vermakelijk maakt: de samenhang tussen humor, horror en sfeer. De balans lijkt eindelijk gevonden en dan is de film afgelopen. Niet dat The Pit and the Pendulum nog veel langer had moeten duren, maar je vraagt je wel af waarom Stuart Gordon zo laat pas op gang komt. Gordon heeft in zijn hele carrière veel beter werk afgeleverd dan deze The Pit and the Pendulum. Het is dat Lance Henriksen een heerlijke bad-guy speelt en dat het einde wat goedmaakt, want anders was dit klassieke Edgar Allan Poe verhaal uitgelopen op een waar drama.

88 Films is een label om in de gaten te houden. Ze brengen met hun artwork weinig nieuws onder de zon, maar het blauwe doosje en de met pulp beladen catalogus zijn aantrekkelijk. Wel is het frappant dat de aspect ratio op de dvd 4:3 is terwijl die op de later uitgebrachte blu-ray 1.66:1 is, wat dicht bij de theatrical print ligt. Een onvergefelijk verschil. Wat betreft extra’s staan er een leuke behind the scenes en een blooper reel op de dvd. Niets om over naar huis te schrijven.